woensdag 16 maart 2011

Rondwandeling

Gisteren. Vroeg uit de veren, zoals we met onszelf hadden afgesproken, en niet tuttelen. Onze fietsen geparkeerd bij een meneer die zijn bergschoenen poetste met een tandenborstel. Hij leek zeer tevreden met het resultaat. We maakten de stadswandeling uit de gids van Tessa Leuwsha. Op de overdekte Centrale Markt met verbazing de visvangst van die ochtend aanschouwd. Sommige zagen er gevaarlijk uit. Van de meeste groenten kende ik de namen niet meer. Tayerblad, bitawiri, kouseband, maar verder kwam ik niet. Van de markt naar het beeld van Kwakoe en via het Kerkplein en Spanhoek terug naar het terras aan het water voor een bakka bana en een vleesbroodje. We waren een paar uur verder en de temperatuur was flink opgelopen, evenals de vochtigheidsgraad. Na het middagslaapje reikte  zus gebakken vis en boulangier (aubergine) aan over het hek. Liefst zou ze onze elke dag volstoppen met lekkere hapjes.

Busstation bij de Centrale Markt

Niet alleen maar mooie gerestaureerde panden in Paramaribo

Trie

Eergisteren. Naast Eriks intellectuele bijdrage hoort natuurlijk ook een babbelverslag. Een klamme nacht achter de rug en te lang thuis blijven hangen. Op de fiets naar de supermarkt en daarna meteen onder de douche, waar je net zo nat uitkomt als je erin gaat. Te weinig gedronken en gestraft met stekende hoofdpijn. ’s Avonds weer enigszins op de been en met zus en nicht aan de rivier gegeten, waar een heerlijk briesje stond. Telo (gebakken cassave) met trie (piepkleine visjes) en kip. Te heet naar mijn smaak, maar toch lekker. Nicht en zus aten… patat. Daarna nog een beetje sightseeing in Leonsberg, waar ‘de rijke mensen’ wonen. Bouterse schijnt er een niet onaardig optrekje te hebben. Nog even bij omoe snesie (letterlijk oom Chinees, een kleine door Chinezen gerunde supermarkt) naar binnen voor een belkaart en eieren. De norse Chinese dame sprak geen woord Nederlands, maar met ‘pe me fin den eksi’, kwam ik een heel eind.
Eten aan de Surinamerivier

Eten (drinken) aan de Surinamerivier 2 - Zus, ik, Erik

dinsdag 15 maart 2011

Lezen

Eindelijk Plato lezen

Natuurlijk moet er ook gelezen worden. Astrid doet dat op haar e-reader (be-book), zelf houd ik mij bij de papieren uitgaven die ik heb meegezeuld.
Aan de Elsschot-biografie van Vic van de Reijt was ik al in Amsterdam begonnen. Het boek werd nogal zuinig besproken in de NRC, maar mij viel het niet tegen. Van de Reijt geeft een verhelderend beeld van de samenhang tussen leven en werken van zakenman Alphons de Ridder en de literaire producten van zijn alter ego Willem Elsschot, en is daar volgens mij beter in geslaagd dan Jan van Hattem, die al in 2004 een biografie publiceerde. Toch blijft De Ridder een raadsel: een bijna meedogenloze zakenman, die in zijn leven kapitalen moet hebben verdiend (en uitgegeven), en tegelijk auteur van een klein, maar schitterend oeuvre met daarin een reeks onvergetelijke zinnen. Genoeg reden om over een paar weken al die boeken opnieuw te gaan lezen.
Hier zou ik het bij laten, ware het niet dat ook het einde van De Ridder bepaald opmerkelijk was. Op 31 mei 1960 werd Elsschot tijdens een wandeling op straat onwel. Hij werd door een paar mannen naar huis gebracht en daar op een divan neergelegd. ‘Dank u, heren’, zei hij, en dat waren zijn laatste woorden; enkele uren later bleek hij overleden. Gelukkig hoefde hij niet alleen te gaan: precies een dag later stierf zijn Fine, met wie hij sinds 1899 verbonden was geweest.
Vic van de Reijt besluit zijn relaas dan als volgt: ‘Zaterdag 4 juni was de dag van de gezamenlijke uitvaart. Eerst zou het lichaam van De Ridder naar Ukkel worden vervoerd, waar het enige crematorium van België was. Daarna zou de urn met zijn as samen met de kist van zijn echtgenote begraven worden op het Antwerpse Schoonselhof. Cremeren was in die tijd een mannenaangelegenheid. Na de korte plechtigheid in het crematorium, waarbij Bach geklonken had, besloot het gezelschap in een naburig café de overdracht van de as af te wachten, wat de stemming ten goede kwam. Vervolgens werd in vliegende vaart de terugreis naar Antwerpen ondernomen. Het kistje met de as was zo heet dat het niet mogelijk was deze op de bodembekleding van de taxi te zetten. Een van de mannen achterin moest het in zijn handen nemen, om het al snel over te geven aan een ander.’

Rob Wijnberg (1982) is hoofdredacteur van NRC Next (dat ik niet lees) en schrijver van stukjes in NRC (die ik meestal oversla). Maar het is een slim ventje en hij kan schrijven. Vlak voor ons vertrek kocht ik zijn bundel ‘En mijn tafelheer is Plato’. In stukjes van zo’n 4½ bladzijde brengt hij steeds een actueel probleem terug tot een filosofische tegenstelling (bijvoorbeeld de mens is van nature een rationeel wezen versus de mens wordt in diepste wezen bestuurd door zijn instincten). Het klinkt een beetje gekunsteld, maar het werkt wel. Hij lost de problemen uiteraard niet op, maar maakt wel duidelijk waar je zelf staat en waarom. Zo weet ik nu nog beter waarom ik nooit VVD stem, en ook waarom ik vier jaar geleden lid van de SP ben geworden, en niet van Groen Links.
Maar inmiddels heb ik ook dat boek uit, en de vraag is nu dus: hoe nu verder? Misschien een stukje Plato?

maandag 14 maart 2011

Links rijden!

De achterbuurman vond dat het gras gemaaid moest worden en zette gisterochtend vroeg de elektrische maaier aan. Aanleiding om zo snel mogelijk te vertrekken. Na het ontbijt op de fiets gestapt en naar het centrum gereden. (Houd links, houd links!) Fietsen geparkeerd aan de Waterkant en naar Fort Zeelandia gewandeld. Eerst wat op eigen gelegenheid rondgekeken en om 10.30 meegegaan met de rondleiding. De gids hield een zeer informatief verhaal en schroomde niet de decembermoorden ter sprake te brengen. Er is ook een herinneringsplaquette op de plek waar de vijftien mannen in 1982 zijn doodgeschoten. Na het museum naar de Waterkant teruggewandeld en geluncht op een terrasje aan de rivier. Het was zonnig en warm, dus in tropentempo naar de – houten – kathedraal gewandeld, waar ik in 1961 het Heilig Vormsel kreeg. Er werd een mis opgedragen, maar we konden zonder enig probleem foto’s maken.  Wat is hij prachtig gerestaureerd. Ik had op het fonds foto’s gezien van voor de restauratie en het is nauwelijks voorstelbaar dat het goed gekomen is. Terug langs de St. Elisabethschool, waar ik het laatste kwartaal van 1961 bij juf Chin in de klas zat. ’s Middags bezoek van nicht en petekind Ingrid. We hadden elkaar 17 jaar geleden voor het laatst gezien, dus er moest veel worden gepraat.


Nicht en petekind Ingrid

Officierswoningen bij Fort Zeelandia

Erik en Astrid bij Wilhelmina

zondag 13 maart 2011

Tante Rita


Gisteren, gebracht door Johannes, de huurfietsen opgehaald. Terschellingse prijzen, maar we kregen 30 procent korting omdat we ze voor drie weken huurden. Teruggefietst naar de Faradaystraat en in de Cornelis Jongbawstraat even gaan kijken waar wij vroeger bij tante Frigga hebben gewoond. In mijn herinnering was de straat veel breder. De winkel van Kon Tai kon ik niet terugvinden. Ronald en ik dronken er voor het eerst in ons leven Sprite.  We fietsten te ver door waardoor we op plekken kwamen waar je anders niet komt. Het was een mooi avontuur. Ook kwam de zon even door waardoor het meteen bloedheet was. Om 10.30 vertrokken in de pick-up (foto volgt nog) om tante Rita op te halen voor de lunch. Door een sibi boesi (hevige regenbui) moesten we voor de deur in de auto blijven zitten tot het wat minder hard regende. Tante had al een half uur op het balkon op de uitkijk gestaan. Ze ging meteen drankjes inschenken, pasteitjes warm maken en iemand bellen van wie ze dacht dat ik die wel wilde zien. De persoon in kwestie was er niet. Tante en zus zijn de hele tijd in de weer om het ons naar de zin te maken. Prettig, maar af en toe voelen we ons net  kleine kinderen. We reden naar de Chinees voor de lunch, waar tante de bediening, het eten en mijn eetlust becommentarieerde. We zijn in Suriname! De siesta bekwam ons daarna goed.

Erik en tante Rita bij de Chinees

Tante Rita inspecteert het etiket van haar Chiller (Parbobier met diverse soorten limonade)


zaterdag 12 maart 2011

Vogelconcert

Gewekt door het ochtendconcert van grietjebies en andere felgekleurde vogels. Wat een herrie, maar wat zijn ze mooi.
Het is weliswaar de kleine droge tijd, maar de regen komt bij bakken uit de lucht. De zon heeft zich sinds we zijn aangekomen nog niet laten  zien. Dat heeft als voordeel dat het niet zo verschrikkelijk warm is. Gisteren met Edith in de pick-up naar de stad gegaan. Maar eerst moesten we nog in ons eigen appartement inbreken. Op onverklaarbare wijze was de toegangsdeur aan de binnenkant in het hotelslot gevallen, zo bleek achteraf. Erik heeft op aanwijzingen van Lilian drie shutterlamellen bij  de slaapkamer verwijderd en kon toen door het raam naar binnen klimmen. De eerste indrukken van Paramaribo zijn vooral dat het er zo veel drukker is dan vroeger. Veel meer auto’s, maar niet, zoals in sommige landen, veel getoeter of opgestoken middelvingers. Er wordt behoorlijk beschaafd gereden. Zodra het wat droger wordt gaan we te voet of op de fiets de stad verkennen. 

vrijdag 11 maart 2011

Geland

De reis was vermoeiend  en het landen op Zanderij enerverend. Het vliegtuig moest een ‘doorstart’ maken vanwege een gigantische wolkbreuk. Paniek, maar na een kwartiertje cirkelen boven de luchthaven alsnog veilig geland. Zus Edith en nicht Sharda wachtten ons op. De rit van Zanderij naar de Faradaystraat riep allerlei herinneringen in me op. Na de spanning vooraf was er nu de ontspanning van herkenning en thuiskomen. Lilian MacDonald, de verhuurster van het appartement (www.macsapartments.com) had een grote pan moksi alesi klaargemaakt met oker en antroewa op zuur. De koelkast was gevuld met bier, wijn en spullen voor het ontbijt de volgende ochtend. We rolden doodmoe om 21.00 uur l.t. in bed.


Het welkomstboeket van zus en nicht


Eerste samenzijn met Edith, Sharda en Lilian

Djogo (literfles) Parbobier